woensdag 19 mei 2010

China: Chengdu en Songpan

Er zijn van die plannen die je vol enthousiasme bedenkt maar waarvan je als je aan de vooravond van de uitvoering staat niet meer zo heel zeker bent of het nou wel zo’n goed idee is. Toen we ons voornamen om een paar dagen te paard door het Tibetaanse plateau (in Noord-West Síchuân) te trekken en onderweg in de bergen te kamperen, had het ons geweldig geleken.
We stelden ons er van die Brad Pitt ‘seven years in Tibet’ achtige taferelen bij voor. Tegen de tijd dat we ons bewust werden van mogelijke beren op de weg hadden we ons nog niet eens zorgen gemaakt over de weg zelf. Dat kwam pas tijdens de vrijwel onmogelijke busreis er naartoe en we ons realiseerden dat we dwars door het gebied gingen dat in 2008 verwoest is door een hevige aardbeving. Op sommige stukken leek het alsof het gister gebeurd was.
Waar we ook geen rekening mee hadden gehouden is dat de Tibetaanse boeren die ons door de bergen begeleidden een nogal soberder opvatting over ‘kampeer uitrusting’ hebben dan wij.

Juist de dingen waar we wel bang voor waren vielen achteraf mee.
“Wat nou als het heel slecht weer is, het kan tenslotte behoorlijk spoken in de bergen?” De nachten waren wel stervens koud maar op de ochtendmist en een spatje regen na was het verder stralend helder weer.
“Stel dat je ziek wordt van het eten of de hoogte, we klimmen immers naar 4500 meter, wat dan?” Wel, de gidsen hadden het eten zodanig pittig gekruid dat geen bacterie het kon overleven en wij bovendien het vettige kommetje al na een paar hapjes terzijde schoven om onze tong te blussen. De hoogteziekte sloeg inderdaad toe maar pas op het moment dat we net over het hoogste punt heen waren en al weer aan de terugtocht begonnen.
“Misschien dat we van het paard vallen of struikelen waardoor we iets breken; hoe moet het dan verder?” Dat struikelen gebeurde maar ondanks de verzwikte enkel kon Margriet nog redelijk verder lopen. De paarden waren fenomenaal. Nooit geweten dat ze zo goed steile hellingen kunnen beklimmen en afdalen! Hoe zij zich aan het eind van de dag voelden weet ik niet maar bij ons was alles behoorlijk beurs, vooral de knieën. We hadden eigenlijk maar over één onderwerp een meningsverschil met de paarden. Bij steile afgronden liepen zij bij voorkeur langs het uiterste randje terwijl wij de binnenkant veiliger vonden. Maar ze kunnen daar heel koppig in zijn. Als ze het te bont maakten greep de gids in door luid te joelen, fluiten of ‘shissen’.
Wij werden overigens op dezelfde manier door ze aangesproken hetgeen nog wel eens tot verwarring leidde bij zowel ons als de paarden. s’Ochtends waren de gidsen wat minder spraakzaam want dan waren ze hun Tibetaanse gebeden aan het hummen. Dat klonk min of meer alsof we door een overmaatse bromvlieg werden achtervolgd.

De monniken die we onderweg ontmoetten hadden er schik in om ons rond te leiden in hun klooster en wat te laten zien van hun leven daar. Heel erg aantrekkelijk leek dat leven niet te zijn dus hun voorstel aan Ad om zich aan te sluiten bleef onbeantwoord.
Eigenlijk was het al met al een fantastische, unieke ervaring. Tijdens de reis beseften we ons dat al heel vaak maar vooral achteraf, met de ervaring dat alles goed verlopen was, gaf het een euforisch gevoel. Onze ‘thuiskomst’ in Songpan hebben we gevierd met een heerlijke warme douche en een overvloedige maaltijd bestaande uit een yak burger, met yak boter besmeerd brood en yak yoghurt toe.

De strijd tussen de Tibetaanse nationalisten en de Chinese overheid heeft zo op het eerste gezicht een feestelijk karakter. De Tibetanen hebben de gewoonte overal veelkleurige gebedsvlaggen op te hangen. De overheid beantwoordt dat door op alle na de aardbeving herstelde gebouwen, huizen, bruggen en wegen de Chinese rode vlag te plaatsen.

In het panda reservaat liepen we rond met gemengde gevoelens. De reservaten werken goed en de populatie groeit weer. Maar het is zo’n publiekstrekker dat er alles aan wordt gedaan om het de bezoeker naar de zin te maken. Het krijgt bijna het karakter van een dierentuin. De panda’s zelf lijken het allemaal wel best te vinden. Ze liggen schaamteloos in allerlei standjes te poseren terwijl ze op hun bamboe knagen.

vrijdag 14 mei 2010

China: Beijing en Xi'an

De Chinese muur slingert spectaculair door een fraai, bergachtig landschap. Dit beeld mag een cliché zijn maar zodra je er bovenop staat en gaat wandelen (wij liepen van Jinshanling naar Simatai) kun je niet anders dan in vervoering raken. Het is echt adembenemend, letterlijk en figuurlijk. Als oorspronkelijk doel, het buiten houden van indringers (vooral Mongolen) schijnt de muur niet helemaal effektief te zijn geweest. Volgens de Mongoolse leider Genghis Khan kwam dat omdat de sterkte van de muur afhangt van de moed van degenen die hem verdedigen.
Zo is de huidige equivalent ervan: ‘the great Chinese firewall’ ook niet helemaal waterdicht. De 30.000 ambtenaren die hier de internet censuur regelen hebben niet kunnen verhinderen dat we de inhoud van deze blog naar buiten hebben gesmokkeld en dat onze handlanger M.M. het op de website heeft geplaatst. Onze website geblokkeerd; wat een giller.

Beijing is zo’n stad die je opslokt. De drukte, de verkeerschaos, het lawaai, de vervuiling, maar ook de grootsheid van de verboden stad en de intensieve kleuren van de enorme tempel-complexen, alles is even overweldigend.

De Chinezen zijn nogal luidruchtig en lijken altijd haast te hebben. De hoffelijkheid en ingetogenheid van Japanners vind je hier totaal niet terug, eerder het tegendeel. Maar hun spontaniteit en goedlachsheid maakt veel goed. Ook op het gebied van hygiëne is de vergelijking tussen Japan en China een cultuurschok. Dat Chinezen in het openbaar rochelen, spugen en boeren mag algemeen bekend zijn, maar er is verder ook weinig gène als het om lichamelijke funkties gaat. En publique neuspeuteren lijkt een nationale hobby, de midden naad van de broekjes van peuters is open zodat ze één en ander gewoon kunnen laten lopen en vrouwen laten tijdens het toiletgebruik niet zelden de deur gewoon open staan. Maar ja ook in dit geval: ’s lands wijs, ’s lands eer en we wennen er al een beetje aan.

Commercie is hier in alle hevigheid opgebloeid. Iedereen probeert wat te verkopen en er wordt gretig geconsumeerd. De paar Engelse woordjes die sommigen spreken zijn dan ook puur gericht op het werven van klanten. De conversatie erna gaat weer via overdreven mimiek en met handen en voeten. Een Chinese serveerster had wel een hele aparte versie van de ‘handen en voeten stijl’. Toen wij haar mondelinge poging niet begrepen schreef ze het in Chinese tekens in haar hand en liet het ons zien. Helemaal zot werd het toen Ad vervolgens naar mij wees omdat “hij zijn bril niet op had”.

Ook de politieke propaganda is gemoderniseerd. Twee enorme videoschermen op het plein van de hemelse vrede tonen non-stop beelden van alle geweldige dingen die China bereikt heeft. De kranten laten wel af en toe een kritisch geluid horen.
Het chaotische verkeer zou je als anarchie kunnen omschrijven, ware het niet dat er toch wel een duidelijke hiërarchie is. De vrachtwagens zijn heer en meester en voetgangers moeten als laagste in rang regelmatig opzij springen om het vege lijf te redden. Het is ieder voor zich en als er al regels zijn worden die op grote schaal aan ieders laars gelapt. We gaan hier zeker geen auto huren.

De terracotta legers in Xi’an zijn natuurlijk ook een niet te missen bezienswaardigheid. Hoeveel je er ook over gelezen hebt of gezien op TV, zodra je oog in oog staat met de enorme hoeveelheid (als alle opgravingen voltooid zijn zouden er zo’n 7000 te voorschijn moeten komen) beelden die allemaal net iets anders zijn, raak je onwillekeurig diep onder de indruk van zowel de schoonheid als de waanzin van het hele projekt.

De muzikale kant van de lokale cultuur wilden we ook niet aan ons voorbij laten gaan dus gingen we naar een voorstelling van de Chinese opera. Zeker de moeite waard om eens gezien te hebben maar de muziek ligt niet echt gemakkelijk in het gehoor, dus voorlopig laten we het even bij deze ene keer.

vrijdag 7 mei 2010

Japan: Fukuoka & Dazaifu.

Vergeet New York, Parijs en Milaan als je een verwende shopper bent; kom naar Fukuoka en je weet niet wat je ziet. Zoveel shopping malls met zoveel bekende topmerken of juist obscure, afwijkende thema-winkels heb je nog nooit bijelkaar gezien. Heb je een voorkeur voor de Lolita-look, Gothic stijl of high fashion het maakt niet uit; echt álles is hier te krijgen. Wat wel uitmaakt is je maat: boven ‘size zero’ kun je hier moeilijk terecht. Maar in dat geval kun je je uitleven in de enorme galerijen met frutseltjes of kookspullen of stripboeken of handige-dingetjes-winkels of..of..of.


De meest bijzondere winkel annex showroom vonden we misschien wel Robosquare. Daar worden alle nieuwe modellen huisrobots gedemonstreerd en je kunt ze meteen meenemen als je wilt. Robot-stofzuigers, -vloerboeners en –butlers zijn natuurlijk vooral praktisch. Dat er ook robots zijn om de emotionele verlangens van de mens te bevredigen ligt minder voor de hand maar we zagen het voor onze ogen gebeuren. Robot-huisdieren waar kinderen op reageren alsof het levende speelkameraadjes zijn. Volwassenen zie je vooral uitproberen of ze ook op commando willen zitten en pootjes geven (ja, dat doen ze…meestal, net als echte hondjes). Zelfs apporteren lukte min of meer (maar het was een puppie dus dat leert hij nog wel).
In Japan zijn cartoons zo immens populair dat stripfiguren een belangrijk onderdeel van de belevingswereld van kinderen zijn. De meeste robot-huisdieren hebben ze dan ook gemodelleerd naar stripdieren.
Voor ouderen (21% van de bevolking is boven de 65) lijken ze meer op echte dieren, met een heuse vacht en zo. Er draaide en documentaire waarin demente ouderen eerst apatisch in een stoel hangen maar nadat ze een robot-zeehondje krijgen bloeien ze helemaal op. Ze aaien het beestje, voeren het en praten ermee. Het was aandoenlijk om te zien.

Of Japan ook veel blinden heeft weten we niet maar dat er hier meer blindenvoorzieningen zijn dan waar ook ter wereld is zeker. Het mooiste voorbeeld zagen we toen zo’n voorziening samen ging met een andere ver doorgevoerde discipline in Japan: afval scheiden. Omdat er in hotelkamers maar één prullenmandje is pluizen de kamermeisjes de inhoud uit om die vervolgens op de juiste manier te verdelen. Op straat zie je heel weinig afvalbakken maar als er een is dan is die meteen onderverdeeld in minimaal 5 compartimenten. Zo hebben bijvoorbeeld de plastic doppen een eigen compartiment naast de plastic flessen. Om te zorgen dat blinden hier geen vergissingen mee begaan zijn de compartimenten soms voorzien van een opschrift in braille.

Toeristen moeten het uiteraard zelf maar uitzoeken, dat zijn toch barbaren. Vroeger vonden ze dat inderdaad en was het woord voor ‘buitenlander’ identiek aan ‘barbaar’. Tegenwoordig denken ze daar geloof ik genuanceerder over. Maar toch kunnen we ons indenken dat als je hier bent opgegroeid en het service niveau hier je referentiekader is, je het in de rest van de wereld op z’n minst wat onverzorgd vindt.
Gister kochten we bijvoorbeeld gebakjes om mee te nemen. De verkoopster had een bonnet om het haar, een doorzichtige plastic kap voor de onderste helft van haar gezicht en plastic handschoenen aan. Alles om te voorkomen dat er ook maar een spatje van haar dna op onze gebakjes zou komen. Ze pakte de gebakjes met een tang en omhulde elk afzonderlijk met een precies passende kartonnen taartvorm. Ze zette ze in een doos en plaatste tussen de gebakjes nog een soort stootkussentje van karton om ze klem te zetten. Daarnaast legde ze een koelelementje (een plak ijs in een dicht zakje) erbij en deed de doos in een papieren tasje. Ze draaide de handvaten om elkaar heen, streek alles nog eens glad en gaf ons het tasje met beide handen aan waarna ze een diepe buiging maakte. Het was al feest voordat we nog maar één hap hadden genomen.

Dat we bij ons vaarwel-Japan diner vanavond ook nauwelijks een hap aten lag aan de de man die naast ons aan de sushi-bar zat. Hij werkte regelmatig sushi met een nog levend diertje (slak? schaaldier?) erop naar binnen. Yech! Tijd om hier weg te gaan en de zijderoute te vervolgen in China. Of internet daar net zo volop beschikbaar is als hier weten we niet dus het vervolg kan even duren.

woensdag 5 mei 2010

Japan: Nagasaki, Fukuoka & Nokonoshima Island

>
Het is ‘golden week’ in Japan. Er zijn 4 nationale feestdagen op een rij en festivals op veel plaatsen. Al met al zorgt dit voor een ware volksverhuizing. Op zich is dat best gezellig maar als een groot deel van de 127 miljoen Japanners besluit er op uit te gaan dan leidt dat tot overvolle treinen, lange rijen voor de restaurants en het vervelendste: geen beschikbare hotelkamers meer voor mensen die zo’n beetje op de bonnefooi door het land trekken. Na eindeloos zoeken en vragen vonden we vlak voordat we de dichtstbijzijnde brug wilden opzoeken (om het ons daaronder dan maar ‘gemakkelijk’ te maken) toch nog een kamer, een zogenaamde semi-double room.
Als het al ‘semi-double’ is voor Japanners dan is het voor ons meer 'too small'. We moesten met een soort hink-stap-sprong over de tassen klimmen om in het bedje te kunnen komen. En nu ‘maakt liefde een smal bed breed’ maar op een gegeven moment wil je toch ook wel gewoon slapen.

Het festival dat wij hebben bezocht heet Hakata Dontaku Matsuri, het grootste in Japan. Het bestaat al 800 jaar maar in de Meiji periode is het vernoemd naar de Nederlandse gewoonte om zondags niet te werken. ‘Dontaku’ schijnt een verbastering van ‘zondag’ te zijn. Gedurende de ruw weg 280 jaren daarvoor had Japan de grenzen gesloten voor alle westerlingen behalve de Nederlanders. Zij mochten blijven omdat ze niet hadden geprobeerd de Japanse cultuur of religie te beinvloeden maar zich puur hadden gericht op de handel en wetenschap. Je vindt hier dan ook op veel plaatsen historische verwijzingen naar die periode. In Nagasaki is zelfs een complete VOC handelspost bewaard gebleven.

Mocht het al zo zijn dat onze taal ook terug komt in andere Japanse uitdrukkingen dan valt dat in ieder geval niet op. Maar goed: de link tussen ‘dontaku’ en ‘zondag’ springt ook niet onmiddellijk in het oog, dus wie weet? Evidenter is hun voorliefde voor de Franse taal. Winkels, restaurants en merken voeren graag een Franse naam of slogan. Niet altijd juist geschreven maar dat maakt het des te sympathieker.
Wij worstelen ons ondertussen van het ene communicatieprobleem naar het andere maar komen er meestal wel uit. Dat ik graag een stukje ‘meat’ wilde bestellen was de ober echt niet duidelijk. Mijn tekening van een koe waarop ik vervolgens hoopvol wees leidde wel tot de nodige hilariteit maar niet tot het gewenste gerecht. Ad heeft het vervolgens kordaat opgelost door de man aan de mouw mee de keuken in te voeren en daar het een en andere aan te wijzen. We hebben er héérlijk gegeten. We wilden dan ook de volgende avond terug komen maar toen zaten ze opeens vol….zal wel met de drukte van het festival te maken hebben gehad.
Om de vaarschema’s van de boten te achterhalen viel ook niet mee. De lange rijen bij de balie’s nodigden ook niet uit om het maar eens ergens te proberen. Gelukkig was er een behulpzame steward die wist dat er ergens in het gebouw een bord (hij beschreef een vierkant in de lucht) met ‘information’ was. Hij begeleidde ons kris kras door de menigte naar de andere kant van het gebouw waar inderdaad een groot bord stond met bovenaan ‘information’. Helaas was de rest van de tekst in het Japans.
Toch zaten we al snel op de boot. We belandden weliswaar op een ander eiland dan we van plan waren maar het was er prachtig (de foto van de bloementuin is daar gemaakt) dus het was ons net zo lief.

Soms weet je ook niet wat je hoort maar dan omdat het juist zo bekend klinkt. De onverwachte begroeting in de ontbijtzaal bleek van Sophie Rutgers (een Randstad collega die tijdelijk in Japan werkt) te komen. We wisselenden wat ervaringen uit en begrepen uit haar enthousiaste verhalen dat het heel goed gaat met haar en met het uitzenden in Japan. We kunnen ons er alles bij voorstellen dat ze straks terugkijkt op een boeiend jaar en een fantastische ervaring.

vrijdag 30 april 2010

Japan: Hiroshima, Miyajima en Nagasaki.



De viering van Koninginnedag begon voor ons vandaag op de rode loper van paleis Huis ten Bosch. Daarna mochten we daar van dichtbij de gouden koets en de ‘Fryske hynders’ inspecteren die de koets op Prinsjesdag door Den Haag trekken. Onze feestelijke tocht vervolgde door Amsterdam, Delft, Den Haag en Spakenburg waar we natuurlijk de onvermijdelijke optochten, het koekhappen en de klompendansen moesten bewonderen. We proefden van de kaasblokjes die werden uitgedeeld en de stroopwafels terwijl we meedeinden op de muziek van draai-orgels en dweilorkesten. Weer in Amsterdam aangekomen waar we het diner bij Hotel de L’Europe genoten keken we tevreden terug op deze zeer geslaagde Koninginnedag.
De honderden Japanners en paar westerlingen die ook rondliepen in thema-park ‘Huis ten Bosch’ bij Nagasaki hadden waarschijnlijk geen idee dat er voor de Nederlanders iets te vieren was. Maar ook zij keken net als wij hun ogen uit naar deze geperfectioneerde kopie van delen van Nederland. Helemaal op ware grootte schijnt het niet te zijn, maar laten we het zo zeggen: het lijkt aanzienlijk meer op het origineel dan op Madurodam.
De enige smet op deze dag was dat ik had verwacht dat wij als Nederlanders op ‘Queensday’ toch wel gratis naar binnen mochten maar onderhandelen is een slecht begrepen concept in Japan. Meestal kijken ze glazig terug en noemen nogmaals het reeds genoemde bedrag of roepen een collega om het te herhalen. Op z’n best lachen ze heel voorzichtig en zeggen dan aarzelend: ‘maybe we don’t have that service’. Normaal gesproken zie ik in ‘maybe’ nog wel kansen maar ik heb ervaren dat die in Japan nihil zijn.

We reizen door het land met een soort ‘tiener tour kaart’ die hier de ‘Japan Railway pass’ heet. Zoals bekend zijn de treinen in Japan zeer stipt (een paar minuten voor de aankomsttijd begint het perron personeel al zenuwachtig op z’n horloge te kijken) en sommige treinen (de zogenaamde Shinkansen en Nozomi) zijn daarnaast ook nog eens razendsnel.
Om uit te vinden hoe we moeten reizen, waar we moeten overstappen en vanaf welk perron onze trein gaat zou het handig zijn om Japans te kunnen lezen. Je voelt je toch een soort analfabeet als je de tekens op de borden in gedachten met je vinger na trekt om ze te vergelijken met die op je papiertje. Maar tot nog toe gaat het allemaal prima ook al omdat de conversatie met het balie personeel niet zo complex hoeft te zijn. We noemen de eindbestemming en trekken daarbij de wenkbrauwen vragend op. Het balie personeel antwoordt daarop door de vertrektijd op een briefje te schrijven en met het juiste aantal vingers in de lucht het perronnummer aan te geven. Gaat nooit mis. Tenzij…
We waren ruim te vroeg op het station en het leek mij een goed idee daar gebruik van te maken door een trein eerder te pakken. Ik zag op het informatiebord dat een eerdere trein naar onze bestemming op het punt stond te vertrekken van perron 11. We holden zo goed en zo kwaad als dat ging met al onze bagage naar de gereed staande trein. Nog even het perron en de bestemming gecontroleerd en hup we sprongen net op tijd naar binnen. Helemaal in mijn nopjes over deze aktie wees ik Ad op de aankondiging dat we inderdaad in de ‘Super Express’ naar Hiroshima zaten.
Meestal zitten de treinen nogal vol en daarom moet je een plaats reserveren. Maar ook daarmee hadden we geluk: er was genoeg plaats. Helaas bleek al snel waarom er bijna niemand in zat: deze trein ging inderdaad naar Hiroshima maar stopte op ieder tussenliggend station en bleef ook nog eens talloze keren staan om de snelle ‘bullet trains’ (waar we eigenlijk voor geboekt hadden) voorbij te laten razen. We hebben er uiteindelijk een uur en drie kwartier langer over gedaan. In die tijd zijn we door 5 bullet trains ingehaald en alle 5 keren heb ik Ad moeten beloven dat ik nooit weer zo eigengereid zal zijn.
Staand bij de Atomic-Bomb Dome in Hiroshima zagen we de relativiteit van ons treinreis-leed al snel in. Hiroshima is nu een bedrijvige stad maar we liepen daar toch een beetje met een soort plaatsvervangende schaamte rond. Wat een verwoesting heeft daar plaatsgevonden.

De volgende dag zijn we naar het sprookjesachtige eiland Miyajima afgereisd. De poort van de Itsukushima-jinja tempel die daar voor de kust staat is de meest gefotografeerde plek van Japan. Dat wetende hielden we de camera in de aanslag om nog eens 104 foto’s aan het Itsukushima-jinja plaatjes universum toe te voegen.
Voor meer foto's kijk op: http://wereldreis2010.phanfare.com

zondag 25 april 2010

Japan: Kyoto en Nara.





Japanners maken veel werk van hun uiterlijk. Vooral de jongeren dragen de wonderlijkste creaties en lopen daar graag mee te flaneren. Was het vroeger nog zo dat Japan bekend stond om het kopiëren van van alles, tegenwoordig staat het bovenaan de lijst van beroemde trendwatchers om hier te spotten wat wij straks gaan dragen. Wel dames dan kan ik dat nu vast verklappen: het wordt een kort broekje met heel veel ruches waar overheen een zo mogelijk nog korter rokje gedragen wordt zodat net de kantjes van het broekje eronderuit piepen. Ik vond het echt vernieuwend en stond er met belangstelling naar te kijken maar na de dodelijke opmerking van Ad dat het alleen geschikt is voor graatmagere meisjes van hooguit 17, zit er weinig anders op dan een meer ‘volwassen’ versie van deze aankomende trend te bedenken.
De geisha’s doen natuurlijk niet mee aan modegrillen. Die blijven hun serene zelf als verpersoonlijking van de Japanse cultuur. Hun prijskaartje is overigens wel met de tijd meegegaan: $3000 voor een avond sessie. Daarvoor wordt je thee dan wel héél zorgvuldig ingeschonken en worden de dansbewegingen met uiterste precisie uitgevoerd.
In heel Japan zie je veel tempels en in Kyoto en Nara staan de prachtigste exemplaren. Tempels worden hier door jong en oud veelvuldig bezocht. Wordt bij ons alles wat met spiritualiteit te maken heeft gebracht als iets wat lijnrecht staat tegenover ‘platte commercie’ en ‘het jachtige bestaan van alledag’; hier gaat dat vrolijk samen. Goden worden via een efficiënt ritueel (muntje in een bak werpen, bel luiden, 2x in de handen klappen en afsluiten met een buiging) aangeroepen om te helpen succesvol te zijn in het dagelijks leven en te krijgen wat men graag wil hebben. Kinderen vragen om meer zakgeld terwijl vader vraagt om een promotie; zoiets. In en bij de tempels heerst ook vaak een gezellige, kermis-achtige sfeer omdat er talloze kraampjes staan die religieuze snuisterijen verkopen. Je kunt er bijvoorbeeld een T-shirt met een afbeelding van je favoriete God/Buddha kopen of een amulet voor welk soort geluk dan ook of een briefje waarop een persoonlijke voorspelling staat, vergelijkbaar met een fortune cookie.

De mannen (en een paar vrouwelijke priesters) die van de religie hun professie hebben gemaakt werken uiteraard met veel uitvoeriger rituelen. We hebben een paar van deze kleurrijke evenementen mogen meemaken. Helaas zijn er weinig mensen die Engels spreken dus is de betekenis van wat we zagen aan onze eigen fantasie overgelaten. We hadden sowieso graag met iemand willen bespreken hoe men de beide religies Shinto (waarbij men de Goden verzoekt het beter te krijgen) en Boeddhisme (waarbij het juist de bedoeling is niets te verlangen) in schijnbaar perfecte symbiose praktiseert.

Hoe is het nu om te vertoeven in een samenleving waar mensen geen rommel, peuken of kauwgom op straat gooien; waar verkeersdeelnemers zich keurig aan de regels houden; waar winkels geen anti-diefstal-poortjes of beveiligings personeel hebben; waar nergens een spoor van graffiti te bekennen is; waar fietsen (die overigens over de stoep moeten rijden: da’s niet handig in de drukke straten van de Japanse steden) gewoon aan de kant geparkeerd staan en niet vlak voor de ingang van het etablissement waar de eigenaar toevallig naar binnen moest; waar winkelpersoneel/obers/treinpersoneel je blij tegemoet treden om je te verwelkomen en te helpen; waar mensen op straat zich verontschuldigen als ze jou per ongeluk aanstoten (en niet krijsen: “takkewijf ken je niet uitkijken” zoals laatst in Amsterdam); waar respect meer iets is wat men aan anderen betoont dan wat men op hoge toon voor zichzelf eist? Dat was toch heel beklemmend en belemmerend voor de persoonlijke vrijheid vonden we in Nederland? Dat soort betuttelend kleinburgerlijk fatsoen moest daarom toch afgeschaft worden? Hier is dat gelukkig nog heel vanzelfsprekend en onze ervaring is dat het juist heel erg prettig is.
Voor meer foto's kijk op http://wereldreis2010.phanfare.com

woensdag 21 april 2010

Japan: Nikko > Nagano > Takayama





Vantevoren had het nog zo aanlokkelijk geleken: een paar weken lang alleen maar heerlijk Japans eten. Maar wat we nooit hadden gedacht is toch gebeurd en eigenlijk ook al heel snel: het ging ons tegen staan. Dat komt door het ontbijt. Allerlei vissoorten, vissoep, en in zeewier gewikkelde tofu-balletjes zijn lastig naar binnen te werken op je nuchtere maag. Daar houd je de hele dag last van. We hebben daarom maar even een pauze genomen van het compleet onderdompelen in de Japanse cultuur en leefwijze. Ik durf het amper te bekennen maar we slapen nu in een Best Western hotel en hadden koffie met croissants als ontbijt vanmorgen. Avonturiers van niks inderdaad; ik weet het.
Dat neemt niet weg dat we de ervaring om in Ryokans (traditionele Japanse overnachtings plaatsen) te verblijven fantastisch vonden en we binnenkort die draad weer oppakken. De kamer in Ryokans is zoals de Japanners hun huizen inrichten: uiterst sober. Er liggen matten op de grond waar alleen een lage tafel op staat. De futons en beddengoed zijn opgeborgen in de kast. Nadat je de maaltijd zittend op de grond hebt genuttigd komt het kamermeisje om de tafel opzij te schuiven, de futons uit de kast te voorschijn te halen en op de grond op te maken.
Waar we ook niet op gerekend hadden is dat het hier nog behoorlijk koud kan zijn. In de tempelstad Nikko lag zelfs nog sneeuw. Nu ligt Nikko weliswaar in de “Japanse Alpen” dus zo gek was het nu ook weer niet maar Ad’s thema: ‘follow de sun’ hebben we dus wel even in de koelkast moeten zetten. De tempels werden af en toe half aan het oog onttrokken door mistflarden van laaghangende bewolking. Dat zorgde dan wel weer voor een prachtige mysterieuze sfeer.
De volgende dagen werd het weer volop lente waardoor de kersenbloesem authentieke dorpen als Takayama en Hida-No-Sato uitbundig versierde. Voor de sneeuw aapjes in Yudanaka (nabij Nagano) is het aanbreken van de lente overigens het teken om uit bad te komen. In de koude winters verwarmen ze zich door in de natuurlijke hete bronbaden te gaan zitten. Een uniek gezicht. Bijzondere aapjes: daar wilde Margriet natuurlijk naar toe, ook al was het nogal een reis om er te komen met de trein, bus en nog een flink stuk te voet. Gelukkig waren er nog en paar koukleumen die zichtbaar genietend, met half gesloten ogen in het warme water zaten. Het zag er zo menselijk uit dat je bijna verwachtte dat ze hun yukatas (soort huiskimono) en slippertjes zouden aantrekken na afloop.
Voor meer foto's ga naar: http://wereldreis2010.phanfare.com