zondag 25 juli 2010

USA: California (North Coast & Sonoma)


Toen er in1848 goud werd gevonden in Californië kreeg het al snel de bijnaam “golden state”. Maar het goud is al lang op; de staat is failliet. Je zou het zo niet zeggen trouwens als je ziet hoe de bewoners hier nog steeds volop lijken te genieten van het goede leven. De ene helft van de bevolking lijkt ruimschoots genoeg inkomsten te hebben om het te spenderen aan teveel eten, talloze tattoos en lawaaiige pick-up trucks/hummers.
De andere helft besteedt het liever aan de personal trainer om vervolgens het ‘fashionably skinny’ lijf in de modernste designer outfit te hullen en soepel in de sportauto te springen.
Wij zaten er deze week zo’n beetje tussenin. We zwoegden op onze goedkope Walmart fiets door de wijngaarden naar de vele “castello’s” en “villa’s” om daar samen met de ‘wine snobs’ mee te doen aan de wijnproeverijen. Als het even kon kozen we een wijnhuis uit dat op een heuvel lag zodat we het wat makkelijker hadden als we met de alcohol in de benen (ik vertik het nog steeds om wijn na het proeven uit te spugen) terug naar de camping fietsten.

Daar aangekomen bevonden we ons dan weer tussen de gezinnen waarvan de tientallen kinderen zelfs al 20 kilo te zwaar waren. Op een bepaalde manier was het ook wel gezellig: het gelach en geschreeuw werd overstemd door een mix van hard-rock, country en latin muziek en de lucht was rokerig van het verschroeide vlees. Het was een ‘communal’ camping en daar is toch altijd iets mee waardoor het ongetwijfeld idealistische uitgangspunt verloedert. Zo’n gezamenlijke verantwoordelijkheid werkt gewoon niet. De communal camping bij Healdsburg wordt beheerd door de Pomo indianen. Het is natuurlijk een mooie inkomstenbron en werkgelegenheidsprojekt voor zo’n gemeenschap maar het lijkt erop dat er veel interesse is voor banen zoals ‘security’ en ‘camphost’ maar dat er voor het onderhouds/schoonmaakwerk geen animo is.


De rit van Oregon via de kust, door de redwoods naar de ‘valleys’ was zo mooi en vooral zo afwisselend dat we ons nauwelijks kunnen voorstellen dat we hier pas ruim een week zijn. De noordkust heeft door de jaren heen vaak dienst gedaan als decor voor films en dat ligt niet alleen aan de nabijheid van Hollywood. Het is er ‘picture perfect’ zoals ze dat noemen.
De dikke laag bladeren en het mos in de bossen met gigantische sequoia bomen dempen ieder geluid; het is er onwerkelijk stil. Als je er lang loopt slaat je fantasie op hol en verwacht je ieder moment elfjes of één van Steven Spielbergs –saurussen uit Jurassic Park te zien.



We hadden het er juist over gehad dat het volgend jaar vast ook wel weer heel fijn is om ‘gewoon’ naar Frankrijk of Toscane te gaan want dat is ook uniek en niet te evenaren mooi dachten we. En toen reden we het Sonoma gebied binnen en moesten we prompt onze mening bijstellen. Je waant je in Zuid Frankrijk of de wijngebieden van Italië, compleet met oleanders, cypressen en ‘Toscaanse’ villa’s. Het is iets ruimer, geaccidenteerder en natuurlijker waardoor niet alleen sommige wijnen die hier gemaakt worden het winnen van de Europese maar het landschap zelf ook de overzeese gebiedsdelen naar de kroon steekt.

Voor meer foto’s zie: http://wereldreis2010.phanfare.com

zaterdag 17 juli 2010

USA: Oregon


Het is dat we geen winterkleren bij ons hebben anders waren we graag nog een poos gebleven in Oregon. De bewoners zijn met recht trots op hun prachtige staat. Wij bleven voornamelijk langs de kust en daar had je al meteen een groot verschil met de andere Amerikaanse staten: er mag daar niet gebouwd worden. Het hele kustgebied is benoemd tot natuurgebied en bestaat uit een aaneenschakeling van State Parks. De Route 101 loopt voor een groot deel parallel aan deze ongerepte kustlijn waardoor het uitzicht vanuit de camper betoverend is .
Veel mooier is het om er fietsend, paardrijdend, wandelend etc van te genieten (zwemmend of surfend schijnt niet te kunnen want dat hebben we niemand zien doen) maar dan is het raadzaam je te kleden alsof je gaat skieën. De harde wind uit het noord-westen komt rechtstreeks uit Alaska en is boven de Pacific nauwelijks ontdooid voordat hij aan land komt.


We hebben de kou natuurlijk wel getrotseerd bijvoorbeeld om de kolonie zeeleeuwen bij Cape Arago te zien en de duizenden pelikanen en meeuwen die bij Rockaway Beach foerageren.



De “Beach Bill uit 1967” die projektontwikkeling langs de kust verbiedt is niet het enige unieke aan Oregon. Er is hier ook geen ‘state tax’; dat venijnige percentage bovenop het prijskaartje waardoor het bedrag dat je af moet rekenen altijd tegenvalt. Tijdens onze reis willen we toch redelijk binnen ons budget blijven dus was Oregon een mooie plaats om de wel heel summiere camperuitrusting aan te vullen. Bij mijn absoluut favoriete winkel in de US: de ‘Dollar Tree’ was dus nu echt elk artikel zowel netto als bruto 1$.

Ook in andere opzichten is Oregon anders dan andere staten: ze gaan progressief om met zaken als homo huwelijk, euthanasie en milieubescherming. Dat laatste geeft ze de bijnaam ‘treehuggers’.

Inmiddels zijn we helemaal ingevoerd in het RV-park-jargon. We weten wanneer we een ‘full hookup’ nodig hebben of wanneer een ‘primitive site’ voldoende is. Die ‘full hookup’ (met een aansluiting voor electriciteit, water, riolering en TV per camper) plaatsen zijn vaak al ingenomen door de hele grote campers (denk aan groter dan de bussen of vrachtwagens bij ons). Uiteraard zit daar een TV aan boord, maar ook een (af)wasmachine, wasdroger, jacuzzi, vloerverwarming en airco. Om toch nog het gevoel te krijgen dat ze aan het kamperen zijn zitten ze ’s avonds buiten bij een zelfgestookt vuurtje.

Wij doen het ondertussen noodgedwongen een stuk primitiever. Een van de dakjes is eraf gewaaid en na een noodstop voor een plots overstekende hond is de watertank lek geslagen. Water gutste door de hele camper totdat het op was. En omdat het weekend is zullen we moeten improviseren totdat er iemand met professioneler gereedschap dan dat van de “Dollar Tree” beschikbaar is.

Voor meer foto’s zie: http://wereldreis2010.phanfare.com

maandag 12 juli 2010

USA: Washington state


De koosnaam van Washington state is ‘evergreen state’. Die naam heeft het te danken aan de grote variatie in biodiversiteit. Er zijn uitgestrekte bossen, unieke wetlands, eindeloze witte stranden, duinen en bergen, weilanden vol bloemen en zelfs omvangrijke regenwouden. Maar alles heeft z’n prijs: het regent er ruim 300 dagen per jaar. Heel even overwogen we om zuidwaarts te rijden om de zon op te zoeken maar de wetenschap dat het klimaat waarschijnlijk niet zo snel verandert dat het tijdens ons leven hier nog eens een zonovergoten oord gaat worden weerhield ons ervan. We zijn hier nú dus we gaan er nú van genieten. Zo tussen de ‘drizzle’ buien door konden we prima fietsen en golfen (en dat schijnt toch al een ‘all weather sport’ te zijn).

Net als in Zuid Afrika hebben we weer een camper gehuurd alleen is deze een slag groter. Het was de kleinste die we konden vinden en dan nog voelen we ons bijna vrachtwagenbestuurders. Maar vergeleken met de enorme joekels die je hier rond ziet rijden hebben wij een soort kabouterhuisje. Veel van die tig-tonners zijn ook alleen tijdelijke onderkomens voor vakantievierders maar er zijn ook tienduizenden families die er permanent in wonen en rondtrekken. Ze zijn lid van diverse clubs en spreken dan met de leden van zo’n club af om elkaar op bepaalde campings te ontmoeten. Daar staan ze dan een paar dagen of weken totdat ze weer vertrekken naar hun volgende vrienden/buren kring. Vaak zijn het stellen die met pensioen zijn en we waren verbaasd te vernemen dat die pensioenleeftijd voor heel wat mensen vrij jong begint. Militairen met 40 jaar, leraren met 50 en andere ambtenaren met 55 jaar. Er zitten ook veel zelfstandige ondernemers tussen die ‘binnen’ zijn en boeren die hun land voor veel geld hebben kunnen verkopen. Hun kinderen studeren of werken vaak elders in het land dus daar hoeven ze niet voor thuis te blijven.

De camping annex golfbaan waar we gister stonden was zo’n club-reünie plek. In dit geval van Friezen die vroeger met hun emigrerende ouders mee naar Amerika gekomen zijn. Mijn Friese afkomst was aanleiding om ons meteen helemaal in de club op te nemen; er was geen ontkomen aan. We werden bestookt met vragen, goede adviezen en vooral véél eten. En de kilo’s die we in Azië kwijt zijn geraakt vliegen er hier toch al zo makkelijk weer aan met al die giant-size verpakkingen lekkers. De stemming werd helemaal nostalgisch toen we ’s avonds bij het kampvuur Friese liederen zongen; “smûk skaedzjend beamtegrien oeral yn’t rûn” en zo.
Amerikanen zijn over het algemeen ontzettend trots op hun land en deze eerste generatie immigranten waren geen uitzondering. De meesten woonden in Oregon en dat vonden ze verreweg de mooiste staat: “it is just drop dead gorgeous you know”. Terwijl ze vertelden werd ons duidelijk waar Oregon ligt en begrepen we ook meteen waarom onze kaarten van Washington en Californië niet op elkaar aansluiten: er ligt nog een staat tussen…

Het wereldkampioenschap voetbal leeft hier nauwelijks tot niet. Als wij erover beginnen wensen ze ons op een hartelijke toon sterkte en succes maar dat komt meer door hun algemene vriendelijkheid dan door hun interesse voor voetbal. We zitten altijd alleen voor de tv te kijken. Na ons verlies vandaag zijn we naar Cape Disappointment gereden, dat leek ons wel toepasselijk. Toen we aan de balie medewerker van de camping uitlegden dat we ook ‘disappointed’ waren omdat we van de Spanjaarden hadden verloren reageerde hij met: ‘there must have been some kind of game then?’. Van voetbalkoorts is hier dus niet echt sprake zeg maar. Nou ja, die van ons is inmiddels ook behoorlijk afgezwakt.

In Washington hebben we de ‘route 101’ opgepakt die dit kwartaal onze voornaamste leidraad zal zijn. Bij Seattle (waar o.a. de hoofdkantoren van Microsoft, Boeing en Starbucks gevestigd zijn) was het nog razend druk op de weg maar even verderop konden we rustig toeren. En al die tijd was de Mount Rainier (14.500 feet hoog) een onwezenlijk baken in de verte.

Voor meer foto’s zie: http://wereldreis2010.phanfare.com

dinsdag 6 juli 2010

Canada: British Columbia & Vancouver Island

Helderblauwe gletsjermeren, overal bomen en bergen met besneeuwde toppen in alle windrichtingen; zodra je dat ziet en die prikkelend frisse lucht ruikt hoef je het bord “Welcome to Canada” al niet eens meer te lezen om te weten waar je bent. We hadden veel gehoord over het natuurschoon van Vancouver Island dus het zou eigenlijk alleen nog maar tegen kunnen vallen maar het voldeed precies aan de verwachtigen: het is een plaatje. Raar misschien maar tegelijkertijd was het minder indrukwekkend dan wat we de afgelopen tijd gewend waren. Deze kant van de wereld is natuurlijk veel bekender voor ons, we spreken de taal en herkennen de manier van doen. Alles is goed geregeld en één telefoontje of muisklik is genoeg om uit te zoeken wat je wilt weten. Het is mooi, prettig en comfortabel maar/dus(?) minder spannend.

Misschien dat de Canadezen daarom zo gek zijn op ‘adventure’ sporten. In Whistler kun je zelfs nu nog skieën/snowboarden of met een mountainbike de skihellingen af fietsen. Ook wildwatervaren, bergbeklimmen en deltavliegen zijn hier erg populair. Mijn moeder reisde dit deel van de trip gezellig met ons mee dus wij hebben de wat minder heftige aktiviteiten gekozen. We voeren met de vele ferries tussen de eilanden door en fietsten over voormalige treinsporen. Wat dan wel weer handig is in zo’n hoog ontwikkeld land is dat het geen enkel probleem is om een electrische fiets voor mijn moeder te huren. Het viel nog helemaal niet mee om haar heuvelopwaarts bij te houden. Ver voor ons hoorden we dan het zwakke excuus: “ja maar hij gaat niet langzamer dan zo”.

Net als in Amerika zijn in de steden en dorpen de straten breed en van asfalt, de commerciële gebouwen groot en van beton en de huizen elegant en van hout. Bij alles wat voor 1950 gebouwd is staan grote borden met “Historic site”. Victoria vonden we het gezelligst. Er staan mooie koloniale gebouwen en de haven en de Fishermen’s Warf zijn sfeervol.












Op Vancouver Island kun je prachtige wandelingen langs de kust maken. Wij liepen de Sooke East coast trail. Onderweg zagen we otters, herten en veel vogels wat ons ‘game ranger gevoel’ weer even helemaal terug bracht. Het was een mooie afsluiter geweest als ik hier had kunnen beweren dat we daar ook een beer zagen. Na de vele waarschuwingsborden “beware, you are in bear country” hadden we er eigenlijk heel erg op gehoopt. We zágen wel een beer maar dat was vanuit de auto. Hij scharrelde zo’n beetje naast de weg en leek helemaal niet op de woeste afbeeldingen van de waarschuwingsborden. Eigenlijk had hij best een guitige kop en zag er heel knuffelbaar uit. Maar ja, ik mocht van m’n moeder de auto niet uit…

woensdag 23 juni 2010

Bhutan: Bumthang district


De verjaardag van Guru Rimpoche (de heilige die in de 8e eeuw het Boeddhisme naar Bhutan bracht) is één van de ruim 30 aanleidingen per jaar om in het hele land festivals te houden. De monniken in alle 5000 kloosters zijn dan al dagen vantevoren bezig met hun specifieke gebeden en meditaties.

Toen we zo’n religieuze ceremonie bezochten moesten we glimlachen toen we ontdekten dat ze niet allemaal in trance mediteerden maar dat het bij sommigen verdacht veel op knikkebollen leek. De dienstdoende leraar-monnik kon er helemaal niet om lachen en porde ze met een knie in hun rug weer wakker. Onze glimlach ging echter over in een uiting van respectvolle verbazing nadat we hoorden dat ze het gezang en geprevel al 3 dagen volhielden van 1 uur in de nacht tot laat in de middag.
Het was natuurlijk heel speciaal om bij zo’n ceremonie aanwezig te mogen zijn en terwijl we de reinigende wierook dampen inademden voelden we ons enorm bevoorrecht. Maar wat we op een gegeven moment ook voelden nadat we alle mogelijk zithoudingen op de harde grond hadden geprobeerd is dat wij toe waren aan een wandeling, in de frisse lucht.

Van baby’s tot bejaarden, alle bewoners uit de Bumthang vallei komen op de dag voorafgaand aan de verjaardag samen bij het Nibelung klooster.
Daar vertellen gemaskerde, gekostumeerde, dansende monniken het verhaal van de boeddhistische waarden en mythologie. Andere monniken spelen de rol van nar en proberen de toeschouwers schrik aan te jagen door
ze onverhoeds met een grote houten penis te belagen (in de Katholieke kerk zou dat überhaupt, maar zeker tegenwoordig nogal ongepast zijn). De bedoeling ervan is dat de schrikreaktie de zonden weg wast. Verder doet het festival ook wel wat denken aan onze dorpskermis van vroeger met kraampjes met snoep en prullen, (gok)spelletjes, drankge-/misbruik en een uitgelaten sfeer.

De viering van Guru Rimpoche’s verjaardag zelf heeft een wat ingetogener karakter. Dezelfde vallei bewoners staan nu in een lange rij te wachten tot het hun beurt is om het enorme doek (thanka) met de afbeelding van de goeroe te mogen kussen en vervolgens in het klooster de zegening te ontvangen. Daarna zijn er weer figuratieve dansvoorstellingen maar met minder muziek en zonder narren.

Toen het ging regenen vonden wij dat jammer maar waren de Bhutanezen blij met deze ‘holy rain’. De reaktie van beide partijen was wel dezelfde: schuilen! Ik zat samen met heel veel Bhutanezen gepropt in het voorportaal van het altaar. Tig door het ‘betelnut’ kauwen rood geworden monden lachten me welwillend toe. Mokken met yakboter-thee werden me van alle kanten aangeboden. Ik knikte vriendelijk terug en dat gaf kennelijk een aantal peuters moed om mij eens van dichtbij te bekijken.
Tja, onder het genot van ranzige thee en kleverige snoep en snot handjes die enthousiast aan je mouw en broekspijp worden afgeveegd smelt je toch?

De volgende dag gaat iedereen gewoon weer aan de slag. Voor ons kwam dat goed uit want zo kregen we tijdens onze wandeling veel mee van het vele handmatige werk dat de boerenfamilies hier verzetten. Je zou nooit weer een korreltje rijst of een korstje brood durven laten liggen als je ziet hoeveel moeite het kost om ze op je bord te krijgen. Maar het zou Bhutan niet zijn als ze niet tussen de werkzaamheden door toch weer tijd maken voor een bezwerend of voorspellend ritueel.

Terwijl hun gezichten nog bezweet waren van het dorsen door met stokken op het graan te slaan, liepen ze naar een rots van ruim een meter hoog. Daar liet het verloop van een rollende steen ze weten of ze al klaar zijn voor de hemel of eerst nog moeten lijden in de hel. De Bhutanezen stonden Ad met verbazing aan te gapen toen zijn eerste poging meteen uitwees dat hij zich mag verheugen op een verblijf in de hemel. Ik wist dat natuurlijk al lang…

Voor meer foto’s zie: http://wereldreis2010.phanfare.com

vrijdag 18 juni 2010

Bhutan: Paro, Thimphu, Punakha, Wangdue en Geylekha vallei

Bhutan is als een sprookje; zodra je binnen komt in het ‘land van de donderende draak’ vraag je je af of je hier net als Alice in Wonderland terecht gekomen bent via een konijnenhol in plaats van via een gloednieuwe Airbus van Druk air. Alleen de piloten van Druk air beschikken over de benodige ervaring om op zicht te kunnen landen tussen de steile bergwanden door.

Het berglandschap is overdadig groen en bezaaid met robuuste, vrolijk beschilderde huizen. Allemaal in dezelfde stijl. Het wegennet bestaat uit eindeloos kronkelende bergweggetjes en gaat langs klaterende watervalletjes en heldere rivieren. De mensen die er rondlopen zijn bijna allemaal gekleed in de nationale dracht: een soort ochtendjas met lange kniekousen voor mannen/jongens en lange rokken met korte jasjes voor vrouwen/meisjes. Hun favoriete eten is onbegrijpelijk: hete chili pepers met gesmolten kaas als hoofdgerecht, drie keer per dag. De vele monikken hullen zich in Boedhistisch rood en oranje.
Als je het nationale dier, de takin, ziet geloof je eerst je ogen niet maar dit rare geit-yak-achtige beest bestaat echt.
Op de sportvelden beoefenen ze vooral boogschieten, de nationale sport. Tussendoor dansen en zingen de teams om de goden gunstig te stemmen. Veel van de Bhutaanse verhalen en gebruiken draaien om het verdrijven van boze geesten, het verslaan van demonen en het plezieren van goede geesten. Eerst denk je nog dat ze een grapje maken maar ze zijn er bloedserieus in. Toen Ad langs de verkeerde kant van een stupa liep was er meteen lichte paniek en moesten er extra gebedshandelingen verricht worden om deze zonde weg te wassen.

Een veel gebruikte manier om te zorgen dat boze geesten niet je huis binnen komen is door het te decoreren met geschilderde en gebeeldhouwde penissen. Omdat hele dorpen op die manier worden ‘beschermd’ zou je het volgens onze normen haast aanstootgevend vinden.
Het reinigen van de zonden van de doden gebeurt door het plaatsen van honderd-en-acht hoge bamboestokken met witte gebedsvlaggen. Pas als de gebeden eraf gesleten zijn door weer en wind mogen de stokken weggehaald worden. Overal zie je van die bossen witte vlaggen. Overleden kinderen tot een jaar worden trouwens in de rivier gegooid om te worden opgegeten door vissen. Kinderen van 1 tot 9 worden boven op een berg gelegd om door de gieren opgegeten te worden. Dat klinkt harteloos maar in beide gevallen is dat beter voor de reïncarnatie van de kinderziel.

Hoewel in 2008 democratie is ingevoerd wordt de koning nog steeds gezien als de belangrijkste leider van Bhutan. Hij wordt op handen gedragen door de bevolking en onze gids vertelt ons dagelijks heldendaden van de vijf koningen die het land sinds 1903 hebben geregeerd.
Alle toeristen die de vereiste 200 dollar per persoon per dag hebben betaald krijgen de beschikking over een chauffeur en een gids. Een goede auto, logies en het eten zijn bij de prijs inbegrepen. In grote lijnen kun je je wensen kenbaar maken (bijv. of je een zware, meerdaagse trekking wilt doen of niet) maar waar je precies terecht komt en wat je krijgt is een verrassing.

De zomermaanden zijn ongeschikt om de meerdaagse trekkingen te doen. Omdat het regenseizoen is sneeuwt het hoog in de Himalaya en zijn de lagere regionen vergeven van de bloedzuigers. Wij ‘behelpen’ ons dus met de ééndaagse tochten en vinden dat stiekem wel prima. De eerste tocht waarbij we naar het Tigers Nest klooster (de grondlegger landde met zijn vliegende tijger op deze plek, vandaar de naam) klommen vonden we al zwaar genoeg.
Maar wat is het allemaal prachtig en puur en onbedorven! Dat de koning zijn best doet om het zo te houden begrijpen we helemaal; niets in de wereld is vergelijkbaar met de serene rust die je in dit land ervaart. Het is inderdaad sprookjesachtig.

Voor meer foto’s zie: http://wereldreis2010.phanfare.com

zaterdag 12 juni 2010

Nepal: Kathmandu, Bhaktapur, Patang & Chitwan.

De moessonregens zijn laat dit jaar in de zuidelijke laagvelden van Nepal. Iedereen hier kijkt ernaar uit omdat het verkoeling brengt voor de verzengende hitte. Met een temperatuur van rond de 40 graden en een luchtvochtigheid van 90% gutst het zweet de hele dag langs je lijf. Dan is het zaak om zo weinig mogelijk te doen maar daarvoor hadden we de lange reis er naar toe uiteraard niet ondernomen. Wij wilden juist het plattelands leven ervaren en in de natuurgebieden daar hopelijk olifanten, neushoorns, tijgers en luipaarden zien.
Met dat doel hadden we een verblijf in een Tharu dorpje aan de rand van het Chitwan park uitgezocht. De lage kaste bevolkingsgroep Tharu aanbidt de aarde als God en streeft naar een harmonieuze omgang met de natuur. Dat sprak ons erg aan.

We hebben met ze groente geplukt, gekookt, gegeten en uit zitten puffen van de jungle wandelingen en kanotocht.
Voor ons is zo’n dorpsleven als een toneelstuk waar je middenin zit als een soort misplaatste figurant. De lemen hutten, de vrouwen met kleurige sari’s aan en waterkruiken op hun heup, de mannen die met een berg graan sjouwen, de spelende en nieuwsgierig naar ons toe komende kinderen, de vele dieren (waarvan vooral de tamme olifanten en de buffels onze aandacht trokken) die overal tussendoor scharrelen en de talloze vuurvliegjes die ’s avonds in de lucht dansen: we vonden het idyllisch. Het kan zijn dat we wat meer vuurvliegjes zagen dan er daadwerkelijk waren want onze gastvrouw bleef maar eigen gebrouwen rijstwijn bijschenken en wij konden die gulle gift natuurlijk niet weigeren.
Van het zelf rijden op een olifant en ermee in het water spelen werd ik kinderlijk enthousiast. De olifant leek er ook geen genoeg van te kunnen krijgen.

Toch zijn ook deze vriendelijk, gastvrije Tharu debet aan het politieke drama dat zich in Nepal afspeelt. Zij vechten voor zelfbestuur en bijzondere rechten. Nadat in 2001 de koninklijke familie (op de kroonprins na) is vermoord hebben zich diverse machtswisselingen voorgedaan en die gingen lang niet allemaal zonder bloedvergieten. Terwijl religies (mn hindoeïsme en boedhisme) vreedzaam met elkaar leven gebruiken stammen en politieke partijen intimidatie en soms ook geweld om hun eigen standpunt door te drijven.
Het is ze al ruim 2 jaar niet gelukt om gezamenlijk een grondwet te formuleren. Het gebrek aan centraal overheids gezag en de hoge mate aan corruptie bij de regionale overheid maakt dat veel bewoners ondertussen het recht in eigen handen nemen. Belangengroepen leggen middels ‘bandhas’ (=stakingen en wegversperringen) regelmatig het economische leven plat. Doodzonde want Nepal is een geliefd doel van heel veel ontwikkelingshulp en zou daar veel meer van kunnen profiteren. Er zijn hier naar verluidt ruim 29.000 NGO’s aktief.

Dat Nepal zo’n aantrekkingskracht heeft op mensen die romantiek en spiritualiteit zoeken begrijp je meteen als je Kathmandu binnenkomt. De prachtige houtsnijwerken van de vele paleizen, de kleurrijke tempels en de (voor ons) geheimzinnige rituelen waar iedereen druk doende mee is dringen zich meteen aan je op. Bij ons streden gevoelens van fascinatie en afschuw om voorrang. Ja het ziet er allemaal schilderachtigachtig uit. Maar het is niet allemaal goud wat er blinkt; de stad is één stinkende vuilnisbelt en niemand lijkt zich erom te bekommeren.
Zó jammer dat er niet een religieus ritueel is waarin bezem, stoffer en blik een praktische rol spelen. Dan zou het probleem zo opgelost zijn. Maar nee, iedereen maakt zich druk om het dragen van de juiste kleur (voor een lang leven), het vermijden van een bepaald getal (brengt ongeluk), het ronddraaien van koperen bussen (wel rechtsom, anders werkt het niet!), daarna luiden van een bel, vervolgens strooien van rijst, verbranden van etenswaren of katoenen proppen om uiteindelijk zijn/haar voorhoofd (met 2 handen!) aan te raken etc. etc. om gelukkig, gezond en rijk te worden. De RIAGG zou hier z’n handen vol hebben aan het behandelen van wat in onze ogen ernstige gevallen van dwangneurosen lijken.
Die rituelen kosten zeeën van tijd (er zijn bijvoorbeeld 22 religieuze feestdagen) die ze in onze ogen veel beter zouden kunnen besteden. Maar het schijnt ze troost, hoop en moed te geven en in een land waar tijd nog niet kostbaar is, is dat misschien wel een koopje.

De Pashupati tempel, het belangrijkste heiligdom van de hindoe’s is zo’n plaats waar je tegelijkertijd geroerd wordt door de schoonheid van het complex en de religieuze taferelen maar ook beroerd wordt van de viezigheid overal. Er worden daar aan de lopende band lijken gecremeerd aan de rand van de Bagmati rivier. De resten van de verbranding worden in de rivier geschoven zodat ze met de stroom mee kunnen drijven naar de heilige Ganges rivier. Maar er is amper meer water in de rivier te zien want hij is volgestort met vuilnis waar varkens, honden en geiten in wroeten.
In de schaarse poeltjes die er nog resten wassen de zelfverklaarde ‘holy men’ hun witte of oranje lendedoeken. In andere poeltjes springen aapjes als kwajongens van de tempelmuren. Ze suizen met malle buitelingen rakelings langs de rouwende familieleden.

Over één dag in Kathmandu of Bhaktapur of Patan zou je makkelijk een boek vol kunnen schrijven. Het is een land dat je aandacht opzuigt omdat je zoveel ziet dat zo anders is dan bij ons.

Voor ons is het voorlopig de laatste dag hier, morgen gaan we naar Bhutan. We hebben besloten daar de Himalaya in te trekken in plaats van hier. Poeh, zeker de Mount Everest beklimmen in Nepal; niks hoor dat is zo afgezaagd dat doet iedereen al.